Wanneer is sprake van ‘beroepsmatig verleende rechtsbijstand’?

Op grond van art. 7:15 lid 2 Awb en art. 8:75 Awb kan de burger aan het bestuursorgaan verzoeken om vergoeding van de kosten, die deze ten behoeve van het instellen van bezwaar respectievelijk beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De in de praktijk belangrijkste kostenpost betreft die met betrekking tot door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (art. 1, aanhef en sub a Besluit proceskosten bestuursrecht).
In de praktijk voldoet echter lang niet elke gemachtigde aan dit laatste criterium (terwijl er wel een beroep wordt gedaan op een kostenvergoeding ter zake), zodat het zaak is goed op de hoogte te zijn van de jurisprudentie dienaangaande.

Voor het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand is allereerst van belang dat deze werkzaamheden een vast onderdeel vormen van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte taakuitoefening. Om voor een proceskostenvergoeding in aanmerking te komen, dient degene die als derde beroepsmatig rechtsbijstand verleent ook voldoende deskundig te zijn. Daartoe dient hij over enige juridische scholing te beschikken. Bij de beoordeling daarvan kunnen onder meer de door hem ingediende processtukken worden betrokken (ABRvS 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1638). Een officiële (afgeronde) juridische opleiding is hierbij niet per se vereist: de relevante kennis kan ook door zelfstudie en praktijkervaring worden opgedaan (ABRvS 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:1295).

Van verlening van rechtsbijstand door een derde kan niet worden gesproken indien een rechtspersoon wordt vertegenwoordigd door zijn voorzitter of een ander bestuurslid, tenzij het bestuurslid tevens een advocaat of een beroepsmatige rechtsbijstandverlener is en zich als zodanig in de procedure heeft gesteld (ABRvS 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1742). Een curieuze zaak betrof ABRvS 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:214, waarin een advocaat namens zichzelf optrad en in die hoedanigheid om vergoeding van de proceskosten vroeg. De Afdeling wees dit af, reeds omdat de verleende rechtsbijstand niet door een derde was verricht. In CRvB 19 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BE8918 werd overwogen dat, nu betrokkene voor de door diens sociaal raadsman verleende rechtsbijstand geen kosten in rekening waren gebracht, voor een veroordeling tot vergoeding daarvan geen grond bestaat. In CRvB 18 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:201:2801 bevestigde de Raad de vaste rechtspraak dat het feit dat de gemachtigde van betrokkene procedeert op basis van ‘no cure no pay’ en dat betrokkene ermee heeft ingestemd dat een eventuele proceskostenvergoeding aan zijn gemachtigde wordt uitbetaald, niet betekent dat in een dergelijk geval een procesbelang voor de betrokkene ontbreekt. Aan toekenning van een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand staat immers niet in de weg dat die bijstand is verleend op basis van ‘no cure no pay’.

Voor door familieleden/partners verleende rechtsbijstand is tot slot ook extra attentie vereist. Aanvankelijk was het vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak (en de Centrale Raad van Beroep) dat een (nauwe) familierelatie meebrengt dat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Zie onder meer de uitspraak ABRvS 12 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM4170, waar de ingeschakelde advocate een dochter van appellant was. Later is de Afdeling hierin echter (in navolging van de Hoge Raad) ‘omgegaan’ door te overwegen dat een familierelatie er op zichzelf niet aan in de weg staat dat een gemachtigde als derde beroepsmatige rechtsbijstand kan verlenen. De rechtsbijstand moet dan wel op zakelijke basis worden verleend, dus niet (gratis) op persoonlijke titel. Dit uitgangspunt lijdt slechts uitzondering indien het betreffende familielid behoort tot het huishouden van de belanghebbende. In dit laatste geval moet in beginsel worden aangenomen dat deze rechtsbijstand niet op zakelijke basis is verleend en daarom niet kan gelden als beroepsmatig (ABRvS 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1109).

Auteur: mr. P.H.J. (Pieter) de Jonge


Over Pieter de Jonge
Mr. P.H.J. de Jonge studeerde in 2006 cum laude af aan de Rijksuniversiteit Groningen in het Nederlands recht met als hoofdrichting Staats- en Bestuursrecht. Zijn tot artikel bewerkte scriptie werd in 2007 bekroond met de Ars Aequiprijs voor de beste wetenschappelijke publicatie van een rechtenstudent in de periode 2005/2006. Na zijn afstuderen is hij werkzaam geweest als juridisch beleidsmedewerker bij de Tweede Kamer, gemeentelijk jurist handhaving en juridisch medewerker bij een advocatenkantoor. Sinds 2008 is hij werkzaam als jurist bij MB-ALL, waar hij zich met name bezighoudt met het uitvoeren van bestuursrechtelijke handhavingstrajecten voor diverse gemeenten en omgevingsdiensten.

Meer lezen?

Hier lees je onze andere artikelen op het gebied van handhaving van veiligheid en leefbaarheid.

Onze juridische oplossingen

Voor het uitbesteden van uw handhavingsdossiers, gedegen juridisch advies, inhuur van interim handhavingsjuristen, opstellen van uitvoerbaar handhavingsbeleid, aanpak van adreskwaliteit, verbetering van recreatieterreinen en snippergroenprojecten is MB-ALL uw partner.