Huurder recreatiewoning (derde-)belanghebbende?

Dit keer een interessante casus uit de praktijk, waarbij een last onder dwangsom werd opgelegd aan de eigenaar/verhuurder van een recreatiewoning om het laten gebruiken ten behoeve van permanente bewoning te beëindigen en beëindigd te houden. Hoewel juridisch (op grond van art. 2.1 lid 1, sub c Wabo) zowel de eigenaar als de huurder zelfstandig als overtreder kunnen worden aangeschreven, had het college er in casu voor gekozen om enkel de eigenaar als overtreder aan te schrijven. De huurder kreeg wel een afschrift van het dwangsombesluit dat aan de eigenaar was opgelegd. Vervolgens diende zowel de eigenaar als de huurder een bezwaarschrift in tegen voornoemd dwangsombesluit.

Opmerkelijk genoeg werd het bezwaarschrift van de huurder – conform het advies van de bezwarencommissie – bij beslissing op bezwaar (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. Het college was namelijk van mening dat de huurder geen derde-belanghebbende was, omdat het belang van de huurder slechts voort zou vloeien uit de contractuele relatie die hij heeft met de eigenaar en dit slechts een afgeleid en geen rechtstreeks geraakt belang betreft. Het college verwees hierbij naar de uitspraken ABRvS 28 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2816 en ABRvS 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2680.

Naar mijn mening gaat het college hier uit van een onjuiste rechtsopvatting, waarbij bovendien de aangehaalde uitspraken verkeerd geïnterpreteerd worden. In de uitspraak van 28 september 2011 had Flevoland Invest B.V. een bouwaanvraag ingediend voor een supermarkt. De beoogde exploitant van de supermarkt wordt niet als belanghebbende in de zin van art. 1:2 Awb aangemerkt. Het besluit, waarbij vrijstelling en bouwvergunning is geweigerd, heeft voor de exploitant immers slechts gevolg in verband met haar contractuele relatie met Flevoland Invest B.V, zodat haar belang daarbij niet rechtstreeks is getroffen. In de andere Afdelingsuitspraak (van 12 oktober 2016) woonde de derde niet ín, maar náást de betreffende woning. Wel had deze derde aangegeven gebruik te willen maken van de woning en daarvoor de toestemming van zijn zoon (eigenaar) nodig te hebben, maar deze omstandigheid maakt de vader volgens de Afdeling nog niet tot derde-belanghebbende omdat dit slechts een afgeleid belang betreft.

In geen van deze beide uitspraken handelde het echter om een natuurlijk persoon die zijn hoofdverblijf heeft in de betreffende (recreatie)woning, wat toch wel een wezenlijk onderscheid is. Natuurlijk heeft een permanente bewoner die een recreatiewoning huurt óók een contractueel belang (de huurverbintenis), doch niet uitsluitend een contractueel / financieel oftewel ‘afgeleid’ belang. Hij wóónt immers in die recreatiewoning en door het dwangsombesluit wordt hij wel degelijk rechtstreeks in zijn belang geraakt doordat hij hierdoor op korte termijn genoodzaakt zou kunnen worden de bewoning te beëindigen.

Steun voor mijn opvatting vind ik onder meer in de uitspraak ABRvS 5 september 2012, waarin werd aangevoerd dat appellant niet kan worden aangemerkt als een belanghebbende, nu hij slechts huurder is van een woning binnen het plangebied en in die hoedanigheid geen rechtstreeks belang, doch slechts een afgeleid belang op grond van de huurovereenkomst heeft. De Afdeling ging hierin (onder verwijzing naar eerdere rechtspraak) echter niet mee: “Onder verwijzing naar de uitspraak van 21 maart 2012 in zaak nr. 201108436/1/R2 overweegt de Afdeling dat een huurder een rechtstreeks belang heeft als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, in het geval het plan er toe kan leiden dat hij het gehuurde onroerend goed niet langer op dezelfde wijze kan gebruiken. Nu het plan voorziet in de sloop van de op het perceel gesitueerde woning en muziekstudio van [appellant] wordt hij rechtstreeks in zijn belang geraakt door het plan.” In dit verband kan tevens worden gewezen op de uitspraak ABRvS 21 november 2007, AB 2008, 9 m.nt. B.W.N. de Waard (Biltse telecommast), waarin de Afdeling in rechtsoverweging 2.4 overwoog: “T-Mobile heeft in haar hoedanigheid van huurster van de mast slechts een afgeleid, aan de aanvrager parallel, belang. Zij heeft zich echter op het standpunt gesteld dat zij daarnaast wordt getroffen in een aan het in artikel 10, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) ontleend fundamenteel recht. Gelet op de door haar overgelegde plotkaarten die het dekkingsgebied van de GSM-installatie aangeven, moet worden geoordeeld dat er feitelijk een reële mogelijkheid bestaat dat T-Mobile door de weigering om bouwvergunning te verlenen in haar aan dat fundamenteel recht ontleend belang zal worden geschaad, zodat ook hierin een voldoende eigen belang is gelegen om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.”

Uit deze uitspraak kan derhalve worden afgeleid dat wanneer er een reële mogelijkheid bestaat dat een derde door een besluit in zijn aan een fundamenteel recht ontleend belang wordt geschaad, hij moet worden aangemerkt als (derde-)belanghebbende. Voor de ontvankelijkheidsvraag hoeft daarbij overigens niet aangetoond te worden dat het betreffende recht ook de facto geschonden is: het bestaan van een reële mogelijkheid volstaat reeds. Trekken we deze lijn door naar onze casus van de permanente bewoner die een recreatiewoning huurt, dan wordt deze (indien een last onder dwangsom wordt opgelegd aan de eigenaar om deze verhuur te beëindigen) evenzeer geschaad in een aan een fundamenteel recht ontleend belang, namelijk art. 8 EVRM / art. 10 Grondwet (het fundamentele recht op eerbieding van de persoonlijke levenssfeer). Overigens heeft de Afdeling in legio uitspraken al bepaald dat deze grondrechten in beginsel aan handhavend optreden tegen permanente bewoning niet in de weg staan (zie o.a. ABRvS 8 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ1895), doch dit doet aan de belanghebbendheid van de bewoner op zich niets af.

Auteur: mr. P.H.J. (Pieter) de Jonge


Over Pieter de Jonge
Mr. P.H.J. de Jonge studeerde in 2006 cum laude af aan de Rijksuniversiteit Groningen in het Nederlands recht met als hoofdrichting Staats- en Bestuursrecht. Zijn tot artikel bewerkte scriptie werd in 2007 bekroond met de Ars Aequiprijs voor de beste wetenschappelijke publicatie van een rechtenstudent in de periode 2005/2006. Na zijn afstuderen is hij werkzaam geweest als juridisch beleidsmedewerker bij de Tweede Kamer, gemeentelijk jurist handhaving en juridisch medewerker bij een advocatenkantoor. Sinds 2008 is hij werkzaam als jurist bij MB-ALL, waar hij zich met name bezighoudt met het uitvoeren van bestuursrechtelijke handhavingstrajecten voor diverse gemeenten en omgevingsdiensten.

Meer lezen?

Hier lees je onze andere artikelen op het gebied van handhaving van veiligheid en leefbaarheid.

Juridische diensten

Voor het uitbesteden van uw handhavingsdossiers, gedegen juridisch advies, inhuur van interim handhavingsjuristen, opstellen van uitvoerbaar handhavingsbeleid, aanpak van adreskwaliteit, verbetering van recreatieterreinen en snippergroenprojecten is MB-ALL uw partner.