Ins & outs van de aanmaning

In de praktijk gebeurt het nog geregeld dat verbeurde bestuursrechtelijke dwangsommen niet succesvol geïncasseerd kunnen worden, doordat de invorderingsbevoegdheid inmiddels verjaard blijkt te zijn. Op grond van art. 5:35 Algemene wet bestuursrecht (Awb) verjaart de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van één jaar na de dag waarop zij is verbeurd. Deze verjaringstermijn kan onder omstandigheden worden verlengd (art. 4:111 Awb) dan wel gestuit. Het bestuursorgaan kan de lopende verjaring enkel stuiten via de (limitatief) in art. 4:105 en 4:106 Awb opgesomde handelingen (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 52-54). Een daarbij niet uit te roeien misvatting is dat ook de invorderingsbeschikking zelf stuitende werking heeft, hetgeen pertinent niet het geval is (HR 3 april 2015, AB 2015, 213).

In dit artikel wordt nader ingezoomd op de in de praktijk meest gebruikelijke stuitingshandeling: de aanmaning als bedoeld in art. 4:112 Awb. De aanmaning vormt de jure een besluit in de zin van art. 1:3 Awb (om precies te zijn: een beschikking) en moet dus voldoen aan de hiervoor toepasselijke eisen van Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 (Titel 4.1) Awb. Zo moet de aanmaning door of (krachtens mandaat) namens het bevoegde bestuursorgaan worden ondertekend. De aanmaning is door de wetgever evenwel expliciet uitgesloten van bezwaar en beroep (art. 8:4 lid 1 sub b Awb juncto art. 7:1 Awb). Voorts bepaalt art. 4:118 Awb dat de hoorplicht van art. 4:8 Awb evenmin van toepassing is op de aanmaning. De geadresseerde van een aanmaning behoeft derhalve niet vooraf in de gelegenheid te worden gesteld zijn of haar zienswijze te geven.

Om rechtsgeldig te zijn (en dus stuitende werking te hebben) mag de aanmaning pas verzonden worden nadat de invorderingsbeschikking is verstuurd. Dit volgt uit de tekst van de wet (art. 5:37 lid 1 Awb: “Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom”) alsmede uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 115). Gelijktijdige verzending van invorderingsbeschikking en aanmaning is derhalve geen optie. A fortiori is een gecombineerde invorderingsbeschikking/aanmaning in één en hetzelfde besluit helemaal uit den boze (Rb. Overijssel 16 december 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:3255 en Rb. Gelderland 25 juni 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:4144). Het wettelijk systeem schrijft immers (dwingend) een bepaalde volgorde voor van de te verrichten invorderingshandelingen, namelijk invorderingsbeschikking > aanmaning > dwangbevel > executie. Zie ook art. 4:117 lid 1 Awb dat bepaalt dat een dwangbevel slechts wordt uitgevaardigd wanneer binnen de overeenkomstig art. 4:112 Awb gestelde aanmaningstermijn niet volledig is betaald.

De aanmaning mag bovendien pas verzonden worden op het moment dat de schuldenaar in ‘verzuim’ is (met betaling). Hiervan is sprake indien de schuldenaar de dwangsom niet binnen zes weken betaalt, nadat zij van rechtswege is verbeurd (art. 4:97 Awb juncto art. 5:33 Awb). Verzuim heeft tevens de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg (art. 4:98 lid 1 Awb). Wordt de aanmaning verzonden voordat het verzuim is ingetreden, dan ontbeert deze stuitende werking. Anders dan in het civielrecht (‘ontvangsttheorie’, zie art. 3:37 lid 3 BW en HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704), is de aanmaning nog tijdig uitgebracht indien deze op de laatste dag van de verjaringstermijn nog wordt verzonden. Dat de schuldenaar de aanmaning in dat geval ontvangt na afloop van deze verjaringstermijn, doet niet ter zake. Art. 4:112 Awb schrijft immers voor dat de stuiting geschiedt door toezending van de aanmaning (‘verzendtheorie’, vgl. art. 3:41 lid 1 Awb). Aldus ook Hof ’s-Hertogenbosch 24 mei 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ6287).

In art. 4:112 lid 1 Awb is vastgelegd dat een aanmaning een betalingstermijn van twee weken moet bevatten. In de rechtspraak is in dit kader echter bepaald dat dit geen harde termijn betreft. Zo oordeelde de hoogste bestuursrechter over een aanmaning met een betalingstermijn van slechts acht dagen, dat zulks niet afdoet aan de rechtsgeldigheid van de aanmaning (ABRvS 8 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3603). In het derde lid van art. 4:112 Awb is opgenomen dat de aanmaning moet vermelden dat bij niet tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen. Wat nu als deze mededeling ontbreekt in de aanmaning? In de lagere rechtspraak werd aanvankelijk het standpunt ingenomen dat dit geen constitutief vereiste betrof en derhalve niet afdeed aan de rechtsgeldigheid van de aanmaning (zie o.a. Rb. Zeeland-West-Brabant 12 december 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:9939 en Rb. Gelderland 5 februari 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:647). De Afdeling bestuursrechtspraak heeft bij uitspraak van 22 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2301) echter een streep gehaald door deze rechtbankuitspraken door te overwegen dat een aanmaning zonder de mededeling ex art. 4:112 lid 3 Awb géén stuitende werking heeft.

Tot slot ‘kan’ (het is dus een bevoegdheid en geen plicht) het bestuursorgaan op grond van art. 4:113 Awb voor de aanmaning een vaste kostenvergoeding in rekening brengen van € 7 indien de schuld minder dan € 500 bedraagt en van € 15 indien de schuld € 500 of meer bedraagt. Een interessante vraag in dit kader is of wél bezwaar kan worden gemaakt tegen de kosten van de aanmaning. In art. 8:4 lid 1 sub b Awb wordt immers enkel bepaald dat tegen de aanmaning zélf geen rechtsmiddelen openstaan, maar wordt niets gezegd over de kosten van die aanmaning. De rechtbank Overijssel oordeelde ter zake (onder verwijzing naar de memorie van toelichting bij art. 4:112 lid 1 Awb) dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om bezwaar open te stellen tegen de aanmaningskosten van art. 4:113 Awb. Art. 7 Kostenwet invordering rijksbelastingen doet hier evenmin aan af, aangezien dit wetsartikel enkel betrekking heeft op de invordering van belastingen en in de Awb niet van overeenkomstige toepassing is verklaard op (overige) publiekrechtelijke geldschulden (Rb. Overijssel 21 mei 2015, AWB 14/2720.

Auteur: mr. P.H.J. (Pieter) de Jonge

Meer lezen?

Hier lees je onze andere artikelen op het gebied van handhaving van veiligheid en leefbaarheid.

Juridische diensten

Voor het uitbesteden van uw
handhavingsdossiers, gedegen
juridisch advies, inhuur van interim
handhavingsjuristen, opstellen van uitvoerbaar handhavingsbeleid, aanpak van adreskwaliteit, verbetering van
recreatieterreinen en snippergroenprojecten is MB-ALL uw partner.