Horen en adviseren door een onvolledige adviescommissie

Voor bestuursorganen wordt het steeds belangrijker om de besluitvorming inzake bezwaarschriften sneller af te ronden. Daarbij speelt uiteraard de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen een rol, naast het streven om burgers meer service te bieden. Het horen en adviseren door een (externe) adviescommissie in de zin van art. 7:13 Awb is hierbij een vertragende factor: er geldt een langere beslistermijn (van twaalf weken, zie art. 7:10 lid 1 Awb). Aan deze vertragende werking van een adviescommissie kan onder omstandigheden worden tegemoetgekomen door het horen op te dragen aan een deel van zo’n commissie. Naast financiële kunnen hierbij ook praktische overwegingen meespelen, zoals een commissielid dat vlak vóór de hoorzitting verhinderd blijkt. Let wel: in de toepasselijke bezwaarschriftenverordening kan ter zake een quorumbepaling zijn opgenomen.

In art. 7:13 lid 3 Awb is ter zake bepaald dat de adviescommissie het horen kan opdragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. In deze bijdrage gaan we wat uitvoeriger in op de betekenis van dit laatste artikellid en de mogelijkheden ervan voor de praktijk.

Uit het derde lid van art. 7:13 Awb vloeit in elk geval voort dat het horen niet steeds door een voltallige adviescommissie hoeft te geschieden, maar ook kan worden opgedragen aan een onvolledige adviescommissie. Een interessante bijkomstige vraag is ook het adviseren kan geschieden door een onvolledige commissie. De jurisprudentie is er heel duidelijk over dat advisering door een onvolledige commissie niet geoorloofd is, zie onder meer ABRvS 19 oktober 1998, JB 1998, 257. Een dergelijk in strijd met art. 7:13 Awb genomen advies kan ook niet worden vervangen door een eigen motivering van het bestuursorgaan (ABRvS 14 november 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD6568). Een onvolledige commissie kan derhalve wel met het horen worden belast, mits de advisering maar te allen tijde door een voltallige commissie geschiedt. In dit laatste geval kan echter wel een bewijskwestie gaan spelen: hoe kan namelijk worden aangetoond dat door een voltallige commissie is geadviseerd, als niet door een voltallige commissie is gehoord? In de jurisprudentie is in dit kader bepaald dat het enkele betoog dat drie leden hebben geadviseerd, niet volstaat, maar dit zulks voldoende aannemelijk moet zijn geworden. Om die reden is het raadzaam om in het dossier vast te leggen dat een niet bij de hoorzitting aanwezig lid, daadwerkelijk bij de advisering is betrokken. Praktisch kan dit worden vormgegeven door het afwezige lid schriftelijk of per e-mail te verzoeken voor een bepaalde datum te reageren, onder de toevoeging dat zonder tegenbericht wordt aangenomen dat hij akkoord gaat met het conceptadvies. Het kopie van het verzoek kan in het dossier worden gevoegd, evenals de eventuele reactie van het betreffende lid.

In het licht van bovenstaande overwegingen is nog vermeldenswaard de uitspraak ABRvS 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1311 waar in de voorliggende casus het horen had plaatsgevonden door de voorzitter en één ander lid van de commissie. Omdat niet was gebleken van een opdracht om in deze samenstelling te horen, oordeelde de Afdeling dat het horen in strijd met art. 7:13 lid 3 Awb was geschied. Dit artikellid bepaalt immers dat de commissie het horen kan opdragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. Zonder een dergelijke opdracht, is het door een onvolledige commissie horen derhalve in principe onrechtmatig. Een en ander leverde echter geen grond op voor vernietiging van het bestreden besluit, omdat het horen had plaatsgevonden door meer personen dan op grond van de wet is vereist. Verder achtte de Afdeling van belang dat het derde commissielid weliswaar niet aanwezig was bij de hoorzitting, maar dat dit commissielid wel betrokken is geweest bij de beoordeling en bij het uitbrengen van het advies. De advisering had derhalve plaatsgevonden door de voltallige commissie. Nu aannemelijk is dat door deze gang van zaken appellante niet was benadeeld (en niet is gebleken van andere belanghebbenden bij het bestreden besluit), zag de Afdeling aanleiding om met toepassing van art. 6:22 Awb het geconstateerde gebrek te passeren.

Auteur: mr. P.H.J. (Pieter) de Jonge

Meer lezen?

Hier lees je onze andere artikelen op het gebied van handhaving van veiligheid en leefbaarheid.

Juridische diensten

Voor het uitbesteden van uw handhavingsdossiers, gedegen juridisch advies, inhuur van interim handhavingsjuristen, opstellen van uitvoerbaar handhavingsbeleid, aanpak van adreskwaliteit, verbetering van recreatieterreinen en snippergroenprojecten is MB-ALL uw partner.