Persoonsgebonden gedoogbeschikking of omgevingsvergunning staat niet in de weg aan handhaving van latere inwoners

Het permanent bewonen van een recreatieverblijf is doorgaans niet toegestaan op grond van de toepasselijke bestemmingsplanregels en art. 2.1 lid 1, onder c van de Wabo. Onder bepaalde voorwaarden kunnen permanente bewoners in aanmerking komen voor een persoonsgebonden gedoogbeschikking (PGB) of een persoonsgebonden omgevingsvergunning (PGO), waarmee het strijdige gebruik wordt gedoogd respectievelijk gelegaliseerd.

Eén van de voorwaarden is dat de aanvrager van een PGB of PGO kan aantonen dat hij reeds vanaf een bepaalde datum (de peildatum) onafgebroken permanent woonachtig is geweest in het recreatieverblijf. De peildatum voor een PGO is wettelijk bepaald op 31 oktober 2003 (art. 4, onderdeel 10 van Bijlage 2 Bor); de peildatum voor een PGB varieert, afhankelijk van het beleid dat de gemeente in dezen hanteert.

Een belangrijke rechtsvraag in dit verband is de status van latere inwoners. Hiermee bedoel ik de situatie dat iemand bij de houder van de PGB of PGO intrekt om daar eveneens zijn of haar hoofdverblijf te houden, bijvoorbeeld een nieuwe partner, terwijl die nieuwe inwoner zelf niet voldoet aan de voorwaarden om voor een PGB of PGO in aanmerking te komen. Mijns inziens is een dergelijke latere inwoning onwenselijk, omdat hierdoor de overtreding (het strijdige gebruik) de facto wordt vergroot, waardoor er nog meer druk ontstaat op het kwetsbare buitengebied waarin recreatieverblijven doorgaans gelegen zijn. Het toestaan van nieuwe inwoning bij PGB/PGO-houders zal leiden tot (bijvoorbeeld) méér personen die dagelijks met hun auto het recreatiepark op en af rijden ten behoeve van woon-werkverkeer. Dit zou ook conflicteren met het uitgangspunt van de PGB/PGO waarbij vanuit een nulsituatie een uitsterfconstructie wordt beoogd met op den duur een volledig herstel van de recreatieve functie.

Art. 8 EVRM (‘family life’) staat naar mijn mening aan handhaving van de nieuwe bewoner niet in de weg, gelet op voornoemde overwegingen. Het samenwonen kan immers óók geschieden doordat de PGB/PGO-houder bij de nieuwe partner intrekt of doordat zij beiden een nieuwe, gezamenlijke woonruimte elders betrekken. Diverse gemeenten hebben in hun beleid en/of in de PGB/PGO-voorschriften (o.a. Koggenland en Gemert-Bakel) al nadrukkelijk opgenomen dat tegen nieuwe inwoning bij de PGB/PGO-houder zal worden opgetreden.

Rechtspraak hierover is evenwel nog zeer schaars, met uitzondering van een zeer recente (niet gepubliceerde) uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (11 april 2017, zaaknummer HAA 16/2359) inzake de gemeente Koggenland. In casu had het college ervoor gekozen om de PGB-houdster als overtreder aan te schrijven vanwege het strijdig ‘laten gebruiken’ van haar recreatiewoning ten behoeve van permanente bewoning (de inwoning door de nieuwe partner). Uiteraard was het ook mogelijk geweest om de nieuwe partner als overtreder aan te schrijven of zowel de PGB-houdster als de nieuwe partner. In bedoelde uitspraak (r.o. 7.4) oordeelde de bestuursrechter dat art. 8 EVRM er niet aan in de weg staat dat het college handhavend was opgetreden tegen eiseres (tevens houdster van een PGB), nu haar nieuwe partner pas op een later moment (ná de in casu toepasselijke peildatum van 1 januari 2008) was komen inwonen in haar recreatiewoning.

Op dit moment is nog niet bekend of hoger beroep zal worden ingesteld tegen deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland. Het zou natuurlijk wel interessant zijn om te zien of de Afdeling bestuursrechtspraak de uitspraak wat betreft dit onderdeel zal bekrachtigen of niet. Dit ligt wel in de lijn der verwachting, aangezien de Afdeling reeds in vele uitspraken beroepen van permanente bewoners op art. 8 EVRM heeft afgewezen. Niet valt in te zien waarom dit anders zou komen te liggen in het geval het gaat om een permanente bewoner die intrekt bij een andere permanente bewoner die over een PGB/PGO beschikt.

In elk geval is aan te raden om in de PGB of PGO nadrukkelijk als voorschrift op te nemen dat nieuwe inwoning niet is toegestaan en zal leiden tot verval of intrekking van deze beschikking. De houder van de PGB/PGO werkt immers actief mee aan het creëren van een nieuwe overtreding door nieuwe inwoning toe te staan; door het opnemen van voornoemd voorschrift zal deze handelswijze dan ook consequenties voor de houder van de PGB of PGO hebben in de vorm van verval c.q. intrekking van de eigen beschikking.

Auteur: mr. P.H.J. (Pieter) de Jonge

Meer lezen?

Hier lees je onze andere artikelen op het gebied van handhaving van veiligheid en leefbaarheid.

Juridische diensten

Voor het uitbesteden van uw handhavingsdossiers, gedegen juridisch advies, inhuur van interim handhavingsjuristen, opstellen van uitvoerbaar handhavingsbeleid, aanpak van adreskwaliteit, verbetering van recreatieterreinen en snippergroenprojecten is MB-ALL uw partner.