Indien het bestuursorgaan voornemens is ambtshalve een belastende beschikking te geven, dient het bestuursorgaan krachtens artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de belanghebbende gelegenheid te bieden zijn/haar zienswijzen naar voren te brengen alvorens een beslissing wordt genomen. Dit wordt de hoorplicht genoemd. Wanneer de hoorplicht uit artikel 4:8 Awb is geschonden, volgt uit de rechtspraak dat dit gebrek in bezwaar kan worden hersteld (ABRvS, 18 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4932). Het gebrek is hersteld, indien de belanghebbende tijdens de bezwaarprocedure in de gelegenheid wordt gesteld om het bestuursorgaan volledig op de hoogte te brengen van zijn/haar standpunten en belangen.

De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt in een recente uitspraak dat schending van de hoorplicht in de bezwaarprocedure niet is hersteld, indien belanghebbende niet effectief de mogelijkheid heeft gehad zienswijzen naar voren te brengen. Hiervan is sprake indien de opgelegde dwangsom voor de hoorzitting is verbeurd (ABRvS 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2158). Welke omstandigheden waren voor de Afdeling relevant?

Omschrijving procesverloop

Het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde (hierna: het college) heeft bij besluit van 6 december 2018 aan de eigenaresse van een recreatiewoning (hierna: belanghebbende) een last onder dwangsom opgelegd wegens strijdig gebruik van een recreatiewoning. Indien de overtreding niet uiterlijk 4 januari 2019 zou zijn beëindigd, zou een dwangsom van €20.000,- worden verbeurd.

Tegen dat besluit heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend. Nadat belanghebbende op 26 februari 2019 is gehoord, heeft het college op 17 april 2019 besloten om het primaire besluit in stand te laten.

In beroep heeft de rechtbank erkend dat het college de hoorplicht uit artikel 4:8 Awb heeft geschonden, doordat de vooraankondiging van de voorgenomen last de belanghebbende niet heeft bereikt. Dit gebrek is echter volgens de rechtbank hersteld. De belanghebbende is in bezwaar gehoord en heeft daar haar zienswijzen en bezwaren tegen het besluit van 6 december 2018 naar voren heeft kunnen brengen. Haar beroep is ongegrond verklaard.

Overwegingen van de Afdeling van 9 september 2020

De Afdeling echter stelt in hoger beroep de belanghebbende in het gelijk. Volgens de Afdeling is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat schending van de hoorplicht in dit geval was hersteld in de bezwaarprocedure. De rechtbank heeft terecht overwogen dat schending van de hoorplicht kan worden hersteld, indien belanghebbende haar zienswijzen en belangen naar voren heeft kunnen brengen tijdens de bezwaarprocedure. In casu was hiervan echter geen sprake. De belanghebbende is weliswaar tijdens bezwaar gehoord, maar dit was pas nadat de dwangsom al was verbeurd. Als gevolg hiervan heeft belanghebbende niet effectief haar standpunten en belangen naar voren kunnen brengen.

De Afdeling benoemt het stappenplan voor het vervolg niet expliciet, maar het volgende kan worden afgeleid. Doordat de schending van de hoorplicht niet voldoende is hersteld in bezwaar, wordt inhoudelijk gekeken naar de in bezwaar aangevoerde redenen waarom het niet gelukt was om binnen de gestelde begunstigingstermijn aan de last te voldoen. Het is immers waarschijnlijk dat belanghebbende deze omstandigheden naar voren had gebracht als er wel een zienswijzemogelijkheid was geboden.

Wat betekent dit voor de belanghebbende in deze casus?

Belanghebbende heeft in bezwaar aangevoerd dat de begunstigingstermijn te kort was, omdat deze voor de helft in de kerstperiode viel en omdat belanghebbende geen vooraankondiging had ontvangen. Belanghebbende had de verhuur van de recreatiewoning uitbesteed aan een bedrijf, dat afspraken had met de gemeente over de verhuur van recreatiewoningen op het park. De eigenaar van dat bedrijf was tijdens de kerstperiode op vakantie in het buitenland, en belanghebbende zelf kon de huurders niet bereiken, ook omdat de begunstigingstermijn deels in de kerstperiode viel. Op het verzoek om een verlenging van de begunstigingstermijn van 18 december 2018 heeft het college niet binnen de begunstigingstermijn beslist.

Gelet op alle omstandigheden komt de Afdeling tot het oordeel dat het college de begunstigingstermijn had moeten verlengen tot de datum van de daadwerkelijke beëindiging van de overtreding. Er wordt geen specifieke datum genoemd voor de beëindiging van de overtreding, maar tussen partijen is niet in geschil dat de overtreding reeds voor de hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie was geëindigd.

Conclusie: relevantie voor de praktijk

Het is vaste rechtspraak dat het schenden van de hoorplicht uit artikel 4:8 Awb kan worden hersteld in bezwaar. Voorwaarde is dan wel dat een belanghebbende in bezwaar de gelegenheid heeft om zijn standpunt toe te lichten. Met deze uitspraak geeft de Afdeling meer handvatten over wanneer een belanghebbende daar voldoende gelegenheid voor heeft gekregen. Dat is blijkbaar niet het geval wanneer de dwangsom al is verbeurd en de overtreding is beëindigd voordat de hoorzitting wordt gehouden.

Meer lezen?

Hier lees je onze andere artikelen op het gebied van handhaving van veiligheid en leefbaarheid.

Juridische diensten

Voor het uitbesteden van uw handhavingsdossiers, gedegen juridisch advies, inhuur van interim handhavingsjuristen, opstellen van uitvoerbaar handhavingsbeleid, aanpak van adreskwaliteit, verbetering van recreatieterreinen en projecten is MB-ALL uw partner.