Auteur: Angela de Zeeuw. Naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1628. Op 22 juli 2020 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) uitspraak gedaan in een zaak over een oude schuur in Elst (U). De schuur in kwestie was oorspronkelijk in de jaren 50 opgericht door de vorige eigenaar van het perceel. Sindsdien is er een deel aangebouwd en na een brand in 2013 is de schuur verder gerenoveerd.

Volgens het college was de schuur zonder omgevingsvergunning opgericht en kon er ook geen omgevingsvergunning worden verleend. Met andere woorden: de schuur moest weg.

Een interessant aspect in deze uitspraak is de rol van artikel 2.3a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Volgens dat artikel is het verboden om een bouwwerk dat zonder omgevingsvergunning is gebouwd, in stand te laten. Dit verbod bestaat pas vanaf 1 april 2007 (artikel 40, eerste lid, onder b Woningwet (oud)). Voor deze datum richtte het verbod op het in stand laten van een bouwwerk zonder vergunning zich alleen tegen de bouwer van het bouwwerk (of degene die opdracht had gegeven voor de bouw). Vóór 1 april 2007 werd van de rechtsopvolger dan ook niet verlangd dat hij onderzocht of het bouwwerk met of zonder vergunning was gebouwd. Dit is anders wanneer hij een concrete aanwijzing had dat het bouwwerk zonder bouwvergunning was gebouwd; dan gold er wel een onderzoeksplicht.

Het is inmiddels vaste jurisprudentie dat de rechtszekerheid zich verzet tegen handhavend optreden, wanneer de rechtsopvolger (die vóór 1 april 2007 eigenaar werd) geen concrete aanwijzingen had dat het bouwwerk zonder vergunning was gebouwd. Dan kan er geen last onder dwangsom worden opgelegd. Dit neemt echter niet weg dat het bouwwerk zonder vergunning is gebouwd. Het bouwwerk blijft dan ook illegaal. Het college kan alsnog optreden tegen deze overtreding. In de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2012:BY7345), overweegt de Afdeling dat het mogelijk is om op grond van artikel 2.3a, eerste lid Wabo, op te treden middels het opleggen van een last onder bestuursdwang. Doordat de rechtszekerheid zich verzet tegen het handhavend optreden, kunnen de kosten van het toepassen van bestuursdwang niet worden verhaald op de persoon die vóór 1 april 2007 eigenaar is geworden en geen concrete aanwijzingen had dat het bouwwerk zonder vergunning was opgericht.

Degene die het bouwwerk heeft verkregen, mag kleine aanpassingen en vernieuwingen hebben gemaakt aan het bouwwerk. Als hij het bouwwerk in zijn aard of grootte heeft gewijzigd, dan had hij nader onderzoek moeten doen, om erachter te komen of dat zonder meer mag. Door het naar aard of grootte wijzigen van het bouwwerk, wordt het gewijzigde bouwwerk aangemerkt als een ‘nieuw’ bouwwerk. Het is dan niet meer van belang of er ten tijde van het verkrijgen concrete aanwijzingen waren of niet.

Voor de schuur in Elst kon deze uitzondering op artikel 2.3a Wabo daarom niet worden toegepast. Door de renovatie na de brand in 2013 is volgens de Afdeling namelijk een nieuw bouwwerk ontstaan. De oude muur van de oorspronkelijke schuur aan de kant van de aanbouw staat er niet meer en het nieuwe dak op de aanbouw is verhoogd en loopt door tot aan de daknok van de oorspronkelijke schuur. Er kan dus geen onderscheid meer worden gemaakt tussen het oorspronkelijke deel en de aanbouw; die onderdelen zijn één geheel geworden. Door de verbouwing is een nieuwe schuur ontstaan, en de huidige eigenaar wordt aangemerkt als de bouwer van die nieuwe schuur. Het college heeft dus terecht middels een last onder dwangsom opgetreden tegen dit bouwwerk.

Angela de Zeeuw

Angela de Zeeuw

handhavingsjurist

T. 0346 583 070

Meer lezen?

Hier lees je onze andere artikelen op het gebied van handhaving van veiligheid en leefbaarheid.